Amsterdam kan één geheel blijven en toch een stadsprovincie worden
Amsterdam kan één geheel blijven en toch een stadsprovincie worden
Bij de vorming van de stadsprovincie Amsterdam gaat het enerzijds om de opsplitsing de stad in 13 zelfstandige gemeenten, anderzijds om de vorming van een sterke overkoepelende regio. Volgens Yap Hong Seng is de eerste maatregel niet gewenst, maar de tweede noodzakelijk.
In NRC Handelsblad van 20 april uit Geert Mak zijn grote zorgen over 'de dreigende ontstadting van Amsterdam'. Hij betoogt dat tussen droom van een stadsprovincie en daad, wetten in de weg staan en veel, zeer veel bezwaren. Enerzijds geeft hij aan wel te voelen voor bestuurlijke schaalvergroting: “De opsplitsing van Amsterdam zou ... zin kunnen hebben als daartegenover een 'zware' stadsprovincie staat, die dankzij een groot aantal bevoegdheden de grootstedelijke taken ook werkelijk kan overnemen.” Anderzijds is het huidige perspectief voor hem onder de maat en adviseert hij de bruiloft af te blazen. Maar wat dan wel? Ik wil graag een poging doen om die vraag te beantwoorden.
Het referendum over de vorming van een stadsprovincie is het initiatief van een groep Amsterdammers. Dit verschijnsel, waarbij de burgers van een stad openlijk hun verbondenheid met die stad kenbaar maken en daar actie voor willen voeren, was door vele wetenschappers en bestuurders allang ten grave gedragen. Immers, door de ontwikkeling van de nationale staten in Europa in de afgelopen twee eeuwen is iedereen primair Nederlander en pas daarna Amsterdammer, Utrechter of Hagenaar. De vraag is of met het proces van individualisering enerzijds en internationalisering anderzijds de behoefte aan identificatiemogelijkheden toeneemt en of daarmee het verschijnsel 'stadsbinding' of - volgens Max Weber - 'conjuratio', niet een nieuw leven is beschoren.
Conjuratio (in het latijn) betekent letterlijk: verbintenis onder ede ofwel samen-zwering; de term zegt niet alleen iets over een culturele of maatschappelijke verbondenheid, maar ook over een economische binding tussen stad en haar burgerij. In een stedelijke verordening over de lakennering van omstreeks de veertiende eeuw, staat in het eerste artikel vermeld dat het stadsbestuur elk jaar vier 'gezworenen' - in dit geval worden ze ook wel 'staalmeesters' genoemd - zal kiezen, die toezicht moeten houden op de kwaliteit van de lakenproduktie; een nijverheid met grote economische betekenis voor een aantal middeleeuwse steden.
Max Weber voerde conjuratio als op één van de vijf criteria die een middeleeuwse stad tot stad maakten; de andere criteria zijn: de fortificatie van de stad, de markt, het hebben van een relatief autonome wetgeving en de stedebouwkundige karakteristieken van de stad. De conjuratio-gevoelens van stadsburgers in die tijd waren als een cement voor de stedelijke samenleving en het is niet verwonderlijk dat de 'staalmeesters', gezien hun positie in de samenleving, door Rembrandt, Frans Hals en andere beroemde schilders zijn vereeuwigd.
Het blijkt dat conjuratio's in lichtere of sterkere vormen altijd hebben bestaan. Een van de meest sprekende voorbeelden van een moderne conjuratio is voor mij het feit dat vele Amsterdammers een Ajax-gevoel hebben of er een Amsterdamse spreekgewoonte op na houden. Die verbondenheid met Ajax of met de taal strekt verder dan de huidige gemeentegrenzen van Amsterdam; het beslaat vaak een hele stadsregio.
Toch is het opmerkelijk dat degenen die het referendum hebben georganiseerd, juist om hun stadsbinding en conjuratio te demonstreren, weinig gevoelig zijn voor de problemen van de grote stad. Deze problemen maken 'regionaal denken' noodzakelijk. Een van de problemen betreft het volkshuisvestingsbeleid. De mogelijkheden voor stadsuitbreiding in Amsterdam worden steeds beperkter, doordat vrijwel alle gronden binnen de gemeentegrenzen zijn uitgegeven aan woningbouw, bedrijfsterreinen, parken en sportvelden. Wil men de woningnood in Amsterdam en de dreigende getto-vorming in sommige wijken aanpakken, dan zal men het volkshuisvestingsbeleid moeten regionaliseren om een effectieve doorstroming te stimuleren.
Een regionale aanpak is ook nodig als men iets wil doen aan de werkgelegenheid. Wil men op het gebied van uitgifte van bedrijfsterreinen bijvoorbeeld niet uitgespeeld worden door het bedrijfsleven, dan zal er een sterkere regionale coördinatie moeten komen dan in de huidige situatie. Ook op het gebied van verkeer en vervoer kan men de problematiek alleen maar regionaal goed oplossen.
Zo is voor het tot stand brengen van een goed metronet voor de stadsregio alleen al om exploitatie-redenen een bevolkingsomvang van ruim 1 miljoen nodig. En ook op het gebied van milieubeleid is de regio de kleinste schaal-eenheid om een zinnig beleid te kunnen voeren. De discussie over de geluidscontouren rondom de start- en landingsbanen van Schiphol zijn daarvoor zeer illustratief; Schiphol lost zijn problemen niet op binnen de gemeentegrenzen van Haarlemmermeer.
In het rapport 'De Grenzen Verkend' (december 1988) heb ik die problemen in kaart gebracht en gezocht naar bindende elementen ten behoeve van een sterkere samenwerking tussen de ROA-gemeenten. Belangrijk is het vermelden van de toen gevoelde noodzaak om een sterkere bestuurlijke samenwerking te ontwikkelen in verband met het opengaan van de Europeese grenzen. Immers, op lange termijn zullen het niet meer de nationale staten zijn die sterk met elkaar concurreren, doch des te meer de grootstedelijke regio's in Europa.
De vorming van een stadsprovincie (het woord zelf is al een paradox) is naar mijn mening verworden tot een bestuurlijk machtsspel waarin vergeten wordt waar het om te doen is. Bij het beantwoorden van de vraag naar een goed alternatief zal dan ook als leidraad moeten gaan dienen:
1. Het bundelen van krachten is noodzakelijk gezien het feit dat binnen een Europa zonder grenzen de grootstedelijke regio's sterker met elkaar zullen gaan concurreren.
\2. Het oplossen van grootstedelijke problemen in Nederland kan alleen door deze in regionaal verband aan te pakken en door een krachtig bestuur voor de leiding van die stadsregio aan te stellen.
3. Bestuurlijke vernieuwing moet plaatsvinden op een adequaat niveau in Europees opzicht. In vergelijking met Hamburg, Brussel of Parijs verkeren de Nederlandse steden in een achterstand-situatie.
Bij een dergelijke vergelijking gaat het om complete grootstedelijke clusters en dat betekent dat de stadsregio van Amsterdam qua omvang het gebied van het ROA (incl. Almere) plùs de Gooi en Vechtstreek en IJmond/ Zuid Kennemerland beslaat. Dit is niet gevoelsmatig; het betreft een gehele functionele eenheid inclusief de zeehaven van Amsterdam, namelijk IJmond, en het Gooi als communicatie- en informatie-centrum van Amsterdam. Dit impliceert dat het bij het handhaven van de ROA-grens niet zinvol is om Amsterdam op te delen in kleinere gemeenten.
De sleutel voor het doorbreken van de impasse ligt in handen van de bewindslieden. Zij dienen de noodzakelijke bestuurlijke vernieuwing niet langs de bekende doodlopende paden te organiseren, maar moeten de dilemma's en bestuurlijke paradoxen opheffen door een eigentijdse visie te ontwikkelen die past bij het functioneren van een grote stad in Europees of in mondiaal verband. En wanneer men er ook in slaagt om een gekozen bestuur voor een stadsregio te organiseren waarbij er sprake is van voldoende draagvlak c.q. conjuratio bij de bevolking, dan pas is er sprake van een toekomstperspectief en kan Amsterdam weer bruiloft vieren.
Reacties
Een reactie posten